MIDDEN - DELFLAND

De boerderij en buitenplaats Hodenpijl (1)

door Jacques Moerman

Halverwege de dorpen Schipluiden en Den Hoorn staat in de Kerkpolder een opvallend gebouw. Het bevindt zich tegenover de gerestaureerde kerk van Hodenpijl. Lange tijd werd het wit bepleisterde dubbele pand in de volksmond aangeduid met de naam ‘De Plaats’. Het is een bijzondere locatie met een rijke geschiedenis, die teruggaat naar de zestiende eeuw.

Vroegste eigenaren

De oudste vermelding van een woning op deze plaats dateert uit 1561, namelijk in het register van de Tiende Penning van Hodenpijl, een onroerend goed belasting. Claes Ariaenz., bijgenaamd ‘de vader’, pachtte hier toen 23 morgen en 3 hond land (zo’n 20 ha), waaronder 6½ morgen akkerland, met ‘huys, barch ende geboemten’. Het land strekte zich uit van de Tanthofkade tot de Gaag. Er waren drie eigenaren van dit bezit, namelijk de erfgenamen van Ariaen Vrancken, Mr. Arent Sasbout en Anna Joosten (Sasbout). Het geslacht Sasbout bekleedde in Delft in de zestiende eeuw belangrijke bestuursfuncties, waaronder het burgemeesterschap. In 1634 kocht Mr. Maerten Paets, echtgenoot van Sophia van Wouw, dit bezit. Hij deed dit samen met zijn schoonmoeder Machtelt van Leijningen, weduwe van Hillebrandt Jacobsz. van Wouw. De verkopers waren Cornelis Claesz. van Overgaeu en Willem Rochusz.

Maerten Paets was advocaat van het Hof van Holland en woonde in Den Haag. Hij kwam uit een belangrijk Leids regentengeslacht. Zijn schoonvader Hillebrandt Jacobsz. van Wouw stamde uit het rijke Haagse geslacht Van Wouw. Diens vader Jacob Cornelisz. van Wouw was enige tijd burgemeester van de stad. 

Hillebrant Jacobsz. was zelf drukker van de Staten van Holland en de Staten-Generaal. Zijn zoon Hillebrandt volgde hem in 1622 in deze functie op. Samen met zijn moeder hield deze zich later vooral bezig met het beheer van de onroerende goederen buiten de stad. De familie Van Wouw bezat meerdere buitenhuizen/boerderijen in het Westland, waaronder ‘Vrederust’ in de Uithofspolder bij Den Haag. De oorspronkelijke boerderij Hodenpijl werd uitgebouwd tot buitenhuis voor de weduwe Van Wouw (Machtelt van Leijningen) en haar dochter Sophia van Wouw.

De buitenplaats Hodenpijl met bijgebouwen, gezien vanuit de Kerkpolder - Foto Henk Groenendaal
De buitenplaats Hodenpijl met bijgebouwen, gezien vanuit de Kerkpolder

Kaart van Joan van Beest

Joan van Beest heeft op verzoek van de kopers in 1634 een kaart gemaakt met het land en de bebouwing van Hodenpijl in de Kerkpolder. In totaal heeft hij 23 morgen en 84 roeden land opgemeten. Hieronder bevinden zich een partij houtland tussen het erf en de Gaag, een strook rietland langs de Gaag en drie kavels akkerland, zo’n 4½ morgen groot. Het akkerland lag op de kleibaan ten oosten en zuidoosten van de boerderij. Deze hooggelegen strook grond is nog altijd in het landschap herkenbaar. Het erf zelf was ruim een halve morgen groot. Er stonden veel bomen en er waren vier gebouwen en twee hooibergen, die gegroepeerd lijken te zijn rond een plein. Een hek aan de zuidkant gaf toegang tot het erf. De uitstraling van de bebouwing is royaler dan die van het gemiddelde boerenerf in die tijd. Gewoonlijk wordt er een boerenwoning afgebeeld met een of meer hooibergen en een bijgebouw. Hier is sprake van tenminste vier gebouwen.

Er waren in 1634 twee eigenaren. Mogelijk betreffen het twee boerderijen en twee bijgebouwen. Het is onbekend hoe de verkopers Cornelis van Overgaeu en Willem Rochusz. aan de grond en deze panden zijn gekomen. De kopers wilden (naast geldbelegging) zelf gebruik gaan maken van deze woonplaats. De ligging van het buiten aan het water en nabij een rijweg, niet ver van Den Haag, was aantrekkelijk. Niet geheel onbelangrijk was, dat de naam Hodenpijl naar een adellijke familie verwees. Het geslacht Hodenpijl heeft in de Late Middeleeuwen een kasteel gehad op enkele honderden meters afstand van de buitenplaats.  

Fragment kaartblad 13 van Kruikius, met onder in het midden de buitenplaats Hodenpijl
Fragment kaartblad 13 van Kruikius, met onder in het midden de buitenplaats Hodenpijl

Vanaf de eerste helft van de zeventiende eeuw zien we veel rijke families in de zomermaanden op het platteland recreëren. Aanvankelijk gebeurde dat op de boerderijen zelf, maar al snel verschenen in de boerenwoningen heerschapkamers. Boerderijen konden zo uitgroeien tot buitenplaatsen. Veelal bleef een boerderij op het erf gehandhaafd, omdat hierdoor de band met het boerenleven werd versterkt. Daarnaast had de boerderij de functie van voedselvoorziening. Het is heel bijzonder dat het boerderijgedeelte op het erf van Hodenpijl tot enkele jaren geleden in bedrijf is geweest.

Pachter Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt

Van Sophia van Wouw zijn enkele huurcontracten bekend met haar pachters op de boerderij Hodenpijl. Uit het contract van 5 februari 1678 blijkt dat Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt het volgende van haar pachtte: ‘seeckere wooninge, huysinge, stallinge, schuyr ende bergen met twee ende dertich mergens soo wey- als hoylandt’. Het bezit was dus met bijna negen morgen gegroeid. Twee morgen land mocht hij in mindering brengen, omdat ze door de verpachter gebruikt werden. Het betreft onder meer de tuin, de boomgaard en de singels. Voor elke morgen moest Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt jaarlijks 23 gulden betalen. Bovendien moest hij elk jaar drie kinnetjes boter (1 kinnetje is ca. 40 kg) in Den Haag afleveren, de helft in mei, de andere helft in de herfst. Uit de overeenkomst blijkt dat er naast de bouwmanswoning een buitenplaats op het erf stond. De pachter moest het erf en de laan altijd schoonhouden. Gedurende de maanden mei, juni, juli en augustus dienden het erf en het plein voor het huis afgesloten te worden. Er mocht geen vee rondlopen en het vuilnis moest verwijderd zijn. In die periode kon de familie Van Wouw met gasten uit de stad op het buiten vertoeven. Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt trouwde op 30 mei 1677 met Martge Walingsdr. Groenheijde. Zij was een zus van Trijntge Walingsdr, de moeder van de dichter Hubert Korneliszoon Poot. Jacob ondertekende het huurcontract overigens met een merk, omdat hij niet kon schrijven. Zijn vader Abraham Gerritsz. Luchtigheijt en zijn zwager Bastiaen Walingsz. Groenheijde stonden borg voor hem. Zij tekenden wel met hun naam.

Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt stierf op 19 oktober 1687, waarna er een inboedelinventaris werd opgemaakt. Op de boerderij van Hodenpijl waren 35 koeien - de meeste roodbont - een stier, zes kalveren en een paard. Veel koeien droegen een naam, zoals ‘de groote grimel’ (grimmeld is gevlekt), ‘de jonge piet hein’ en ‘de gaeggenaer’. Volgens de opgave was er twintig voer hooi in de opslag (een voer is zoveel als door een paard op een kar getrokken kan worden). Daarnaast lag er drie morgen haver op zolder en in de barg en drie morgen gedorst haver op zolder. 

Achterhuis (het boerderijgedeelte) met onder meer de twee pakhuizen - foto Jacques Moerman
Achterhuis (het boerderijgedeelte) met onder meer de twee pakhuizen

Het ging dus nog steeds om een boerenbedrijf, waar de veeteelt - en dus het boter- en kaasbedrijf - voor het grootste deel van het inkomen zorgde. In de lijst met gereedschappen worden hiervoor allerlei hulpmiddelen genoemd, zoals een kaaspers, kaasvaten, een karn, melkemmers en melkmouwen (bakken voor melk en boter). De boerderij is verdeeld in de volgende ruimtes: een stal, een schuur, een grote kamer, een woonkeuken (met bedsteden), een kelder, een meidenkamer en een achterzolder met een of meer bedden (mogelijk de knechtenzolder). In 1690 hertrouwde Martge Walingsdr. met Cornelis Uijttenbroek, die nog geruime tijd pachter is geweest.

Het buiten van de familie Van Wouw

Uit het huurcontract van 1690 blijkt, dat er een nieuwe boomgaard en een singel waren aangelegd, waardoor Hodenpijl steeds meer het karakter van een buitenplaats kreeg. In 1702 vermeldt Daniel van Lis in zijn ‘West-Delf-land verheerlyckt’, dat de heer van Wouw nog dagelijks aan zijn nieuwe buitenhuis werkt.

Kruikius toont in 1712 op het dertiende blad van zijn Atlas van Delfland een L-vormig gebouw. Van een losse boerenwoning is niets meer te zien; wellicht is de oude boerderij afgebroken of opgenomen in het nieuwe achterhuis. Uit een recente bouwhistorische verkenning is gebleken, dat zich onder het pleisterwerk van de voorgevel en de zijgevel van de opkamer hoge korfbogen bevinden, die mogelijk op een datering wijzen kort voor het midden van de zeventiende eeuw. Deze bouw kan uit de periode dateren dat Mr. Maerten Paets en Sophia van Wouw eigenaar van Hodenpijl werden. Aanvankelijk bestond hun nieuwe buiten uit een kelder met opkamer en een bescheiden voorhuis, de delen van het pand waar in de gevels sporen van korfbogen worden aangetroffen. In de negentiende eeuw is het muurwerk van de voorgevel gepleisterd en wit geschilderd. De huidige T-ramen en de voordeur dateren uit het laatste kwart van de negentiende eeuw. De grote opkamer, die ook wel ‘zaal’ wordt genoemd, kan wat het huidige houtwerk betreft nog uit de periode 1780-1790 dateren of iets later (ca. 1815-1830). De kelder oogt aanmerkelijk ouder vanwege de kruisgewelven met ribben, die in het midden worden gedragen door twee achtkantige zuiltjes met eenvoudige kapitelen. In de voorgevel lijken de kelderluiken negentiende-eeuws; in de zijgevel zouden het nog originele zeventiende-eeuwse luiken kunnen zijn. Direct achter de zijgevel van het voorhuis bevinden zich het achterhuis, de gevel van twee dwarshuizen (pakhuizen) en een stalgevel die uit de negentiende eeuw dateren.

Publicatie Midden-Delfland Schakel: 3 januari 2008

Lees verder met deel 2